Ten Have Advies v.o.f.
onteigening, planschade, nadeelcompensatie, erfpacht en taxaties o.g

Jurisprudentie planschade


Jurisprudentie planschade

Korte inhoudsopgave van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake aanvragen om tegemoetkoming in de schade ex artikel 6.1 Wro (artikel 49 van de WRO), zoals geannoteerd gepubliceerd in Jurisprudentie Gemeenten (Sdu) of Bulletin / Module Ruimtelijke Ordening Totaal BROT (Kluwer)
Integrale uitspraken te downloaden via www.rechtspraak.nl en/of www.raadvanstate.nl

Planologische vergelijking (overgangsrecht) en voordeelverrekening (bedrijfswoning à burgerwoning)(Midden-Drenthe)
Bij de beoordeling of de overgangsbepaling is gelijk te stellen met een positieve bestemming is van belang of aan de in die bepaling opgenomen (bouw)mogelijkheden beperkende voorwaarden zijn verbonden (hetgeen meestal het geval is).
Planologische voordeelverrekening omdat appellants woning, die onder het oude bestemmingsplan niet positief was bestemd en onder het overgangsrecht viel, onder het nieuwe bestemmingsplan conform het feitelijke gebruik positief is bestemd.
AbRS 27-06-2012; LJN: BW9539, Raad van State zaak no. 201109361/1/A2

Normaal maatschappelijk risico (artikel 6.2 lid 1 Wro) (Horst aan de Maas)
De wetgever in artikel 6.2 van de Wro heeft gekozen voor een forfaitaire drempel van 2% van de waarde van de onroerende zaak wegens normaal maatschappelijk risico. Volgens de rechtbank moet van dit wettelijk minimum worden uitgegaan, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. De gemeente heeft gesteld dat aanvrager om tegemoetkoming in de planschade had kunnen verwachten dat ook de andere zijde van de straat op enig moment bebouwd zou gaan worden. Zo ook de rechtbank die overweegt dat deze omstandigheid is aan te merken als een algemene maatschappelijke ontwikkeling waarmee aanvrager rekening had kunnen houden, ook al bestond er geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zou concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zouden voortvloeien. Gelet daarop mocht de gemeente - aldus de rechtbank - onder deze omstandigheden in redelijkheid de gehele waardevermindering, te weten 3,7%, voor rekening van aanvrager laten komen.
Rb 08-06-2012; LJN: BW8686, Rechtbank Roermond, sector Bestuursrecht zaak no. AWB 11 / 1629

Verkorte procedure (kennelijke ongegrondheid) / causaal verband (opzegging huurovereenkomst) (Helmond)
De door de huurder beweerdelijk geleden schade is niet het gevolg van de inwerkingtreding van het ‘nieuwe’ bestemmingsplan, maar van de opzegging van de huurovereenkomst. Dergelijke schade komt niet voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6.1 Wro.
AbRS 11-04-2012; LJN: BW1562, Raad van State zaak no. 201107811/1/A2

Limitatieve opsomming (artikel 6.1 lid 2 Wro) (Ooststellingwerf)
Voor de uitbreiding van een melk- en veehouderij is weliswaar een bouw- en milieuvergunning verleend, maar voor die uitbreiding heeft geen wijziging van het destijds geldende planologische regime plaatsgevonden. Gelet op de limitatieve opsomming in artikel 6.1 lid 2 is er dan geen titel voor een tegemoetkoming in planschade.
AbRS 04-04-2012; LJN: BW0795, Raad van State zaak no. 201109892/1/A2

Normaal maatschappelijk risico (artikel 6.2 lid 1 Wro) (Tilburg)
In de kwestie Tilburg blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat in de directe omgeving al uitsluitend sprake is van percelen met een woonbestemming, dat het bouwplan zich goed voegt in het karakter van de buurt, dat de locatie tot het (centrum)dorpse woonmilieu behoort, dat de ontwikkeling aansluit op de plaatselijke situatie en dat het bouwplan in overeenstemming is met het ruimtelijke beleid van de gemeente. Er is geen grote aantasting van de bestaande stedenbouwkundige structuur en het woonklimaat. Daarom is deze inbreiding van woningen in een bestaande woonkern een normale maatschappelijke ontwikkeling, waardoor de planologische wijziging in de lijn der verwachtingen lag. Omdat de gestelde schade relatief gering is valt deze binnen het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 Wro.
AbRS 29-02-2012; LJN: BV7254, zaaknummer 201104750/1/A2

Maximale planologische invulling (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) (Hof van Twente)
Bouwhoogte autobox niet geregeld in bestemmingsplan. Geen aanvullende werking van de bouwverordening omdat een autobox – onder verwijzing naar "Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal" - primair is bedoeld voor het stallen van één auto of ander voertuig. Dat betekent, hoewel goederenopslag in een autobox op zich mogelijk is, dat op basis van de geldende bestemming "Autoboxen" met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten dat vergunning kan worden verleend voor het bouwen van een autobox met een oppervlakte van 20 m², een goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 15 meter. Dan zou immers niet langer staande kunnen worden gehouden dat de functie van stalling voor een voertuig voorop staat.
AbRS 01-02-2012; LJN: BV2432, zaaknummer 201104141/1/A2

Risicoaanvaarding (voorzienbaarheid bepalen naar planologische situatie aankoopdatum)(Schouwen-Duiveland)
De Afdeling volgt voortaan in zaken waarin de vraag voorligt of de aanvrager ten tijde van de koop van de onroerende zaak planologische mogelijkheden heeft aanvaard en het geldende planologische regime nadien is gewijzigd, de redenering dat appellant ten tijde van de aankoopdatum van zijn perceel al rekening had kunnen en moeten houden met die planologische mogelijkheden. Daarbij is niet van belang of ten tijde van de koopdatum een bepaald planologisch besluit voorzienbaar was, maar of de ingevolge dat planologische besluit toegestane bebouwing c.q. gebruik voorzienbaar was op grond van het ten tijde van aankoop geldende bestemmingsplan.
AbRS 21-12-2011; LJN: BU8882, zaaknummer 201101503/1/H2

Compensatie planologische voor- en nadelen (positief bestemmen woning) (Veendam)
Het planologisch nadeel ad € 7.000,-- wordt opgeheven door het voordeel ad € 20.000,-- dat aanvragers perceel in datzelfde nieuwe bestemmingsplan positief voor woondoeleinden is bestemd. Hoewel de bestaande woondoeleinden op aanvragers perceel mochten worden voortgezet volgens het overgangsrecht van het ‘oude’ bestemmingsplan, waren (verdere) bebouwingsmogelijkheden op aanvragers perceel beperkt door de bestemming groenvoorzieningen. Het nieuwe bestemmingsplan legaliseert de bestaande woonbebouwing en staat het oprichten van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken binnen en buiten het bouwvlak toe.
AbRS 30-11-2011; LJN: BU6312, Raad van State zaak no. 201101802/1/H2

Planologische vergelijking (binnenplanse vrijstelling) (Nederweert)
Nu niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten is te achten dat het bijgebouw ook zonder de verleende vrijstelling had kunnen worden gerealiseerd, is geen sprake van een planologisch nadeliger situatie. Het gebruik van het woonvertrek, waaraan is aangebouwd, zou immers kunnen worden gewijzigd in gebruik als garage, opslagruimte of ander gebruik, in welk geval het vertrek niet als woonvertrek kan worden aangemerkt en de aanbouw ook zonder vrijstelling had kunnen worden gebouwd.
AbRS 14-09-2011; LJN: BS8848, zaaknummer 201101396/1/H2

Waardebepaling (planschadetaxatie bedrijfsobject) / deskundigenkosten (Westvoorne)
De waarde van bedrijfsmatige objecten wordt doorgaans niet in van belang zijnde mate door factoren als uitzicht, schaduw en privacy nadelig beïnvloed. Het door appellant overgelegde deskundigenrapport heeft geleid tot een nieuw besluit op bezwaar, nu daaruit bleek dat de gemeentelijke adviseur geen juiste planvergelijking had gemaakt. Herbeoordeling door de gemeentelijke adviseur maakt duidelijk dat het planologisch nadeel voor appellant niet groter is als wordt uitgegaan van de juiste planologische vergelijking. Derhalve is het door appellant overgelegde deskundigenrapport niet van belang voor de waardebepaling en is er geen grond voor een vergoeding voor deskundigenkosten.
AbRS 12-09-2011; LJN: BR2133, zaaknummer 201100979/1/H2

Deskundigenbericht (vereiste onderbouwing planschade door appellant) (Roermond)
De door appellant genoemde planschadecomponenten waren ook onder de werking van het vigerende bestemmingsplan al mogelijk. Daarom is door de vrijstellingsbesluiten geen sprake van een planologische verslechtering ten opzichte van het bestemmingsplan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is, bijvoorbeeld aan de hand van een deskundigenbericht.
AbRS 17-08-2011; LJN: BR5159, zaaknummer 201101569/1/H2

Waardedaling inzichtelijk maken per schadefactor is geen vereiste; wijzigingsbevoegdheid blijft buiten planvergelijking (Horst aan de Maas)
Een niet gebruikte wijzigingsbevoegdheid in de zin van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet bij de planologische vergelijking buiten beschouwing blijven.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hoogte van de toegekende planschadevergoeding niet overeenstemt met het omschreven planologisch nadeel. Niet vereist is dat de waardedaling inzichtelijk gemaakt wordt per schadefactor.
AbRS 17-08-2011; LJN: BR5187, zaaknummer 201012871/1/H2

Onderbouwing planschade door appellant vereist, bijv. door deskundigenbericht (Roermond)
De door appellant genoemde planschadecomponenten waren ook onder de werking van het vigerende bestemmingsplan al mogelijk. Daarom is door de vrijstellingsbesluiten geen sprake van een planologische verslechtering ten opzichte van het bestemmingsplan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is, bijvoorbeeld aan de hand van een deskundigenbericht.
AbRS 17-08-2011; LJN: BR5159, zaaknummer 201101569/1/H2

Voldoende motivering beroepsgronden door verwijzing naar zienswijze op conceptadvies (Boekel)
De enkele verwijzing in het bezwaarschrift van appellant naar zijn ingediende reactie op het conceptadvies voldoet aan de eisen van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, nu uit die reactie zonder meer valt af te leiden op welke gronden appellant tegen het besluit van het college opkomt.
AbRS 01-06-2011; LJN: BQ6822, zaaknummer 201009559/1/H2

Feitelijke geluidsbelasting niet van belang voor planvergelijking (Krimpen a/d IJssel)
De geluidscontour van 55 dB(A) op de plankaart staat volgens de planvoorschriften in de weg aan woningbouw ter plaatse. Dat de feitelijke geluidsbelasting aan de gevel van de nieuwe woningen 50 dB(A) bedraagt is voor de planologische vergelijking niet relevant.
AbRS 25-05-2011; LJN: BQ5872, zaaknummer 201006988/1/H2

Risicoaanvaarding door gedeeltelijke voorzienbaarheid o.g.v. Structuurschets (Breda)
Aanvrager had de planontwikkeling voor woningen en de daarbij behorende voorzieningen ten tijde van de aankoop van zijn onroerende zaak kunnen voorzien op grond van de Structuurschets uit 1990. Het bestemmingsplan staat ook een schoolcomplex toe met een regionale functie. Deze ontwikkeling is niet terug te leiden op de Structuurschets. Dan is sprake van gedeeltelijke voorzienbaarheid.
AbRS 27-04-2011; LJN: BQ2627, zaaknummer 201007502/1/H2

Onderscheid waardebepaling bedrijfswoning en burgerwoning; planmaximalisatie onder WRO inclusief vrijstellingsbevoegdheid (Uithoorn)
Het ‘oude’ bestemmingsplan stond op appellantes perceel niet uitsluitend het gebruik als agrarische bedrijfswoning toe maar ook – na vrijstelling – als burgerwoning. Deze vrijstellingsmogelijkheid voor het gebruik als burgerwoning had (onder de WRO) moeten worden betrokken bij de planologische vergelijking. Een correcte planvergelijking leidt tot de conclusie dat sprake van een nadeliger planologische situatie.
Een toename van de bedrijfsactiviteiten en geluidhinder is niet aan te merken als planologisch nadeliger gelet op de bestaande bedrijvigheid in de omgeving van de betrokken onroerende zaak.
AbRS 20-04-2011; LJN: BQ1904, zaaknummer 201006409/1/H2

Discrepantie planschadetaxaties; geen beoordeling gedeeltelijke voorzienbaarheid nu de raad op dit onderdeel geen beroep heeft ingesteld (Son en Breugel)
Het verschil tussen de door de gemeente ingeschakelde adviseur uitgevoerde taxatie van de waardevermindering en de door wederpartij gevraagde vergoeding is relatief gering. Dat betekent niet dat de rechtbank dan zelf in de zaak kan voorzien. Daardoor heeft de rechtbank de raad ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld het vastgestelde gebrek te herstellen, bijvoorbeeld in de beslissing op bezwaar.
AbRS 20-04-2011; LJN: BQ1840, zaaknummer 201006427/1/H2

Schade geen gevolg van bepalingen bestemmingsplan maar van onjuiste informatie over bebouwingsmogelijkheden (Rotterdam)
Appellant is bij de aankoop van zijn woning afgegaan op informatie van het zogeheten 'City informatiecentrum' over toekomstige bouwplannen in het desbetreffende gebied. Dat appellant daardoor in de veronderstelling was dat er voor het gebied geen bouwplannen bestonden komt voor zijn risico. Het was immers de eigen verantwoordelijkheid van appellant om bij de aankoop van zijn woning het bestemmingsplan te onderzoeken of te laten onderzoeken op de daarin opgenomen bouwmogelijkheden ter plaatse.
AbRS 30-03-2011; LJN: BP9544, zaaknummer 201007556/1/H2

Verrekening planologische voor- en nadelen niet mogelijk doordat tegen de overwegingen omtrent de bouwhoogte geen beroep is ingesteld (Südwest Fryslân)
De raad had bij de planvergelijking betrokken dat onder het oude regime op een afstand van 2,5 m van het perceel een bedrijfsgebouw met daarbij behorende kantoorgebouwen met een hoogte van 11 tot 15 m kon worden gebouwd. Volgens de rechtbank kon die bouwmogelijkheid met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten en kon slechts een aanvullend kantoorgebouw of bedrijfsgebouw worden gebouwd met een hoogte van slechts ongeveer 6 m. Nu dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep niet is bestreden, moet hiervan in rechte worden uitgegaan. Daardoor kan het nadeel van de planologische wijzigingen in zoverre niet verrekend kan worden met het voordeel van lagere bouwhoogtes.
AbRS 16-03-2011; LJN: BP7807, zaaknummer 201006052/1/H2

Planmaximalisatie incl. in afwijking van bestemmingsplan rechtmatig vergund; voor vergoeding deskundigenkosten is beroepsmatig verleende bijstand vereist (Borne)
De planologische vergelijking richt zich op wat onder het oude bestemmingsplan maximaal kon worden gerealiseerd en wat na inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan maximaal kan worden gerealiseerd. De feitelijke situatie is daarbij niet maatgevend. Om te kunnen beoordelen of de planologische ontwikkeling voor aanvragers eigen perceel een nadeliger planologische situatie betekent, is de feitelijke situatie op het eigen perceel wel van belang. Dit geldt zeker nu de op aanvragers perceel opgerichte bebouwing - die niet is gebouwd op de plaats als aangegeven in de bouwvergunning en meer omvat dan het bestemmingsplan toestaat - geacht moet worden rechtmatig aanwezig te zijn.
Ten tijde van de indiening van het beroepschrift bij de rechtbank was nog sprake van een familierelatie tussen gemachtigde en verweerder. Dan is geen sprake van een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en kan in die zin geen proceskostenveroordeling volgen.
AbRS 09-02-2011; LJN: BP3671, zaaknummer 201006127/1/H2

Compensatie van planologische voor- en nadelen: alleen voordeelverrekening ingeval van voor- en nadeel door zelfde planmaatregel (Voorst)
Verrekening van planologische voor- en nadelen kan alleen plaatsvinden als het voor- en nadeel voor een bepaald perceel wordt veroorzaakt door hetzelfde planologische regime. In dit geval is sprake van de nadelige gevolgen van meerdere vrijstellingsbesluiten die de bestemming onverlet laten, waardoor geen verrekening van voor- en nadelen kan plaats vinden.
AbRS 12-01-2011; LJN: BP0535, zaaknummer 201005710/1/H2

Planschade geen gevolg van bepalingen bestemmingsplan / discrepantie in interpretatie deskundigenrapport parkeren (Arnhem)
Interpretatieverschil tussen twee opvolgende adviseurs over rapport inzake verwachte parkeerdruk door uitbreiding museum. De (1e) Commissie concludeert anders dan SAOZ dat volgens het rapport enige toename van de parkeerdruk ontstaat leidend tot planologisch nadeel voor de parkeergelegenheid van een orthodontiepraktijk. Nu de conclusies uit dat rapport ter discussie staan heeft de rechtbank dat rapport terecht bij de beoordeling van het beroep betrokken.
De parkeerdruk na wegreconstructie dient buiten beschouwing te blijven nu het vrijstellingsbesluit hierop geen betrekking heeft en dus geen grondslag biedt voor planschadevergoeding.
AbRS 12-01-2011; LJN: BP0534, zaaknummer 201005176/1/H2

Omzetderving benzinestation / toename concurrentie / bereikbaarheid (Oirschot)
De bereikbaarheid van appellants benzinestation is na de verplaatsing van de aansluiting met de rijksweg A58 feitelijk niet veel veranderd, nu de verbinding tussen Best en de aansluiting met de A58 bij Oirschot met een andere vervolgroute naar de A58 in stand blijft. Dat het nieuwe bestemmingsplan het verkeer over die aansluiting beoogt te ontmoedigen doet daaraan niet af.
Toegenomen concurrentie - bijvoorbeeld door een nieuw brandstofpompstation in de nabijheid van een bestaand tankstation – kan onder omstandigheden worden aangemerkt als gevolg van een planologische mutatie, maar niet als een ruimtelijk relevant gevolg daarvan, waardoor artikel 49 van de WRO toepassing mist.
Nu voor planschadevergoeding geen aanleiding bestaat behoeft hetgeen appellanten in beroep hebben aangevoerd met betrekking tot de hoogte van de schade niet besproken te worden.
AbRS 29-12-2010; LJN: BO9212, zaaknummer 201005554/1/H2

Bouwmogelijkheid blijft bestaan maar o.g.v. vrijstellingsbevoegdheid / weigering verlenen bouwvergunning, verhogen waterpeil geen planologische gevolg (Vlagtwedde)
Planvergelijking waarbij onder het nieuwe planologische regime de voorheen positief bestemde bouwmogelijkheid alleen kan worden benut met toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders betekent dat ook onder het ‘nieuwe’ planologische regime het bouwen van een ligboxenstal mogelijk is. Dat daarvoor dan vrijstelling van burgemeester en wethouders vereist is doet daaraan op zichzelf niet af.
De weigering van een bouwvergunning wordt in de limitatieve opsomming van artikel 49 van de WRO niet genoemd, zodat de weigering bouwvergunning te verlenen voor een ligboxenstal e.d. in beginsel geen grond kan opleveren voor vergoeding van planschade.
AbRS 15-12-2010; LJN: BO7335, zaaknummer 201004903/1/H2

Aanvullende werking bouwverordening / discrepantie concept en definitief advies (Valkenswaard)
Aanvullende werking bouwverordening leidt in casu tot bouwhoogte van 15 meter. Enige nuancering maximale planologische invulling door bouwhoogte ad 15 m door toets aan Welstandsnota en/of Bouwbesluit (technische mogelijkheden).
Aan toezenden conceptadvies met mogelijkheid inbrengen zienswijzen is inherent dat het definitieve advies andersluidend kan zijn dan het conceptadvies, mogelijk in nadelige zin voor aanvrager om planschadevergoeding.
AbRS 15-12-2010; LJN: BO7339, zaaknummer 201005531/1/H2

Voorzienbaarheid (PKB Vinex in casu onvoldoende concreet voor verwijtbare voorzienbaarheid) (Lansingerland)
Naar het oordeel van de rechtbank wordt in de PKB Vinex niet meer dan een voorkeursrichting gegeven voor het ruimtelijk rijksbeleid. De PKB Vinex biedt onvoldoende grond voor de gevolgtrekking dat er sprake is van een concreet beleidsvoornemen leidend tot wijziging van de planologische situatie nabij de woning van eiser, zoals later vastgelegd in het litigieuze bestemmingsplan.
AbRS 02-12-2010; LJN: BO6029, zaaknummer AWB 08/4858 WET-T1

Anderszins verzekerde planschade (aankoop/onteigening na peildatum); meest ongunstige invulling bij planvergelijking (Hoogezand-Sappemeer)
Hoewel onder het ‘oude’ bestemmingsplan minder bebouwing was toegestaan dan onder het ‘nieuwe’ bestemmingsplan is doorslaggevend voor de planvergelijking dat elke aanvrager om planschadevergoeding het risico liep dat die mindere bebouwingsmogelijkheden onder het uitbreidingsplan direct achter zijn perceel zouden worden gerealiseerd.
Als milieurechtelijke beperkingen aan maximale planinvulling in de weg staan moet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast staan dat die maximale bouwmogelijkheden als gevolg van die milieurechtelijke beperkingen niet gerealiseerd hadden kunnen worden.
Eventuele planschade die verkochte c.q. onteigende percelen betreft worden geacht anderszins te zijn verzekerd, ook als die aankoop / onteigening na de peildatum plaats vond.
Een overeenkomst tussen de gemeente en de belanghebbende om een eventuele ‘planschadeclaim’ af te kopen is niet aan te merken als planschadevergoeding, maar uitsluitend als ‘afkoop’ van het procesrisico..
AbRS 08-09-2010; LJN: BN6147, zaaknummer 201000019/1/H2

Vervallen bouwmogelijkheid (waarde bestaand hoger dan waarde na herontwikkeling) (Alphen aan den Rijn)
Vervallen bouwmogelijkheid leidt niet tot aantasting hoogste waarde van de betrokken percelen. Voor het optimaal benutten van de bebouwingsmogelijkheden volgens het oude bestemmingsplan is het noodzakelijk om bestaande bebouwing (deels) te slopen. De waarde van de percelen met de bestaande bebouwing is hoger dan de residuele grondwaarde na het slopen van de bestaande bebouwing en het oprichten van nieuwbouw. Dat onder het oude bestemmingsplan mogelijk nieuwbouw met meer bouwlagen en een groter verhuurbaar vloeroppervlak kon worden gerealiseerd, betekent niet door de mindere bebouwingsmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan planschade ontstaat nu de percelen op de peildatum in bebouwde toestand een hogere waarde vertegenwoordigen dan de grondwaarde voor de meest optimale bebouwing. De percelen worden door de planologische wijziging derhalve niet in hun hoogste waarde aangetast.
AbRS 18-08-2010; LJN: BN4260, zaaknummer 201001217/1/H2

Grondslag waardevermindering niet-bedrijfsmatig verhuurde panden (Sluis)
Voor de beoordeling van zich mogelijk voordoende planschade is van doorslaggevende betekenis of de te genereren huurinkomsten uit panden die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd door de planologische wijziging beïnvloed zijn. Nu de panden aan de [locatie 2] en [locatie 4] niet bedrijfsmatig worden verhuurd, zoals onder meer blijkt uit het feit dat de panden tegen niet marktconforme prijzen worden verhuurd aan (schoon)ouders en familieleden en/of soms aan derden, is voor de waardering van deze panden ten onrechte uitgegaan van de huuropbrengst. Daardoor is een onjuiste maatstaf gehanteerd voor de vaststelling van eventuele waardevermindering.
AbRS 30-06-2010; LJN: BM9674, zaaknummer 200907504/1/H2

Site ontworpen en onderhouden door Kapsenberg Design